Haken, hoe ging dat ook alweer?

Haken is niet alleen hip, maar ook superleuk! Maar hoe haak je al die prachtige creaties nu eigenlijk? Speciaal voor jou hebben we alle technieken nog eens duidelijk uitgelegd: in tekst, tekeningen én in handige video tutorials. Haak lekker aan!

Losse (l): Dit is de basis voor elk haakwerk. Deze steek wordt ook wel de kettingsteek genoemd, omdat je een lange ‘ketting’ krijgt als je er veel achter elkaar maakt.

  1. Begin met het maken van de opzetlus. Dit doe je door van de draad een lus te maken en vervolgens de draad door de lus te halen. Trek de draad aan. Je hebt nu een opzetlus.
  2. Steek de haaknaald door de lus.
  3. Haal de lange draad met de haaknaald door de lus. Je hebt nu een nieuwe lus.
  4. Steek nu de haaknaald door de nieuwe lus en herhaal bovenstaande stappen.

Tip! Wanneer je in een losse een vaste (of een andere steek) moet haken, kan je het beter aan de achterkant van de losse onder één lusje doorsteken. Probeer vervolgens om het aan de voorkant door twee lussen te steken.

Tip! Haak aan het einde van je ketting één extra losse. Deze noem je de keerlosse, die moet je altijd maken om een nieuwe rij te beginnen. Deze losse hoort dus bij de nieuwe rij en niet bij de begin ketting

Vaste (v): Vasten zorgen voor een dicht haakwerk.

  1. Haak een toer lossen. Steek de haaknaald in de tweede losse vanaf de haaknaald en trek de draad door. Je hebt nu twee lussen.
  2. Sla de draad om de haaknaald (=omslag) en haal de draad door de twee lussen.
  3. Haak bij heen- en weergaande toeren voor de keervaste eerst 2 lossen, alvorens verder te haken.

Halve vaste (hv): Steek voor aanhechten van nieuw garen, om een toer te sluiten of om onzichtbaar naar een nieuwe positie toe te werken.

  1. Steek de naald door de lus en door de tweede losse vanaf de haaknaald.
  2. Haal de draad door beide lussen. Je hebt nu weer een lus.

Toer (T):

Door in toeren te tellen, raak je de draad niet kwijt! Een toer is een reeks lossen of vasten achter elkaar. Vaak staat aangegeven per toer op hoeveel vasten of lossen je hoort uit te komen of mee moet beginnen. Een toer kan zowel gemaakt worden door te keren als door in spiralen te haken. Het laatste geeft een mooier afgewerkt resultaat, maar kan niet bij lapjes.

Tip! Als er een bepaald aantal vasten voor meer dan één toer gehaakt moet worden, bijvoorbeeld T4 t/m 8:18 v, dan kunnen die ook opgeteld worden (90 v) als er spiraalgewijs gehaakt wordt.

 

Magische ring (mr): De magische ring wordt ook wel de verstelbare ring genoemd.

Dit omdat je de ring kunt verstellen door aan het korte draadje te trekken en hierdoor zelf kan bepalen hoe groot of klein het gat blijft. De magische ring is een ideaal begin om rond te haken zonder dat je een sluitnaad overhoudt.

  1. Maak met de draad een lus en haal je haaknaald door hierdoorheen. Trek de draad erdoor die aan je bol garen vastzit. Trek de korte draad niet aan, de opening moet groot blijven.
  2. Maak een losse en steek je haaknaald in de grote opening, onder de korte en lange draad door. Er staan nu drie lussen op je haaknaald.
  3. Maak een vaste onder de grote opening door (met de korte en lange draad). Er staan nu twee lussen op je haaknaald.
  4. Maak weer een omslag en haal de draad door de laatste twee lussen op de haaknaald. Maak op deze manier zoveel vasten als staat aangegeven in de instructie. Trek aan het korte draadje om de opening te sluiten.

Stokjes:

Haak aan het begin van een toer drie lossen als eerste stokje. Dit vergemakkelijkt het keren en worden keerlossen genoemd. Bij een keerhalfstokje haak je twee lossen.

Half stokje (hst):

  1. Maak een omslag, steek de haaknaald in een steek van de vorige toer en trek het door.
  2. Maak weer een omslag en haal de draad door de drie lussen op de naald.

Stokje (st)

  1. Maak een omslag, steek de haaknaald in een steek van de vorige toer en haal de draad door.
  2. Maak een omslag en haal de draad door twee lussen op de haaknaald.
  3. Maak weer een omslag en haal de draad door de laatste twee lussen op de haaknaald.

Dubbel stokje (dst):

  1. Maak twee omslagen, steek de haaknaald in een steek van de vorige toer en haal de draad door.
  2. Maak weer een omslag en haal de haaknaald door twee lussen.
  3. Maak weer een omslag en haal de haaknaald nogmaals door twee lussen.
  4. Maak een laatste omslag en haal deze door de laatste twee lussen.

Meerderen:

Meerderen betekent dat er meer steken in een toer komen. Dit bereik je door in één steek twee steken te haken, soms in elke steek, maar vaker met enkele steken ertussen. Een voorbeeld:

  1. Maak een magische ring met zes vasten (=6v)
  2. Haak in elke vaste twee vasten (=12v)
  3. Haak in elke tweede vaste twee vasten (=18v)
  4. Haak in elke derde vaste twee vasten (=24v)

Minderen:

Minderen betekent dat er minder steken in de toer komen. Dit bereik je door een steek over te slaan of twee steken samen te haken (sh). Bij het samenhaken, haak je soms meerdere steken achter elkaar samen, maar vaker zal dit om de zoveel vasten zijn. Een klein voorbeeld:

  1. Haak elke derde en vierde vaste samen (=18v)
  2. Haak elke tweede en derde vaste samen (=12v)
  3. Haak elke twee vasten samen (=6v)

Samenhaken (sh):

  1. Steek de haaknaald in de lus waar je wilt gaan minderen en in de lus van de volgende steek.
  2. Maak een omslag en haal de draad door de eerste twee lussen.
  3. Je hebt nu twee lussen op de haaknaald.
  4. Maak weer een omslag en haal de draad door de twee lussen.

Van kleur wisselen

Er zijn twee manieren om van kleur te wisselen in een vaste steek: met een vaste (spiraalhaken) of met een halve vaste (heen-en-weerhaken).

Met een vaste:                                      

  1. Steek je haaknaald met kleur 1 door de vaste en haal de draad door. Er staan nu twee lussen op je haaknaald.
  2. Kies kleur 2 en maak een lusje met deze kleur. Haal dit lusje vervolgens door de vaste heen.
  3. Maak een omslag met kleur 2 en haal die door de twee lussen op je haaknaald.

Met een halve vaste:

  1. Steek je haaknaald met kleur 1 door de vaste en haal de draad door.
  2. Kies kleur 2 en maak een lusje met deze kleur. Haal dit lusje vervolgens door allebei de lussen op je haaknaald.

Kleur 1 zit nog vast aan je haakwerk, knip die met wat lengte af en trek het in je haakwerk. Je kan er eventueel een knoopje in maken, zodat hij niet los kan raken. Er hangt waarschijnlijk ook nog een draadje van kleur 2. Doe hiermee hetzelfde.

De gebruikte afkortingen in Aan de Haak staan voor:

l = losse(n), v = vaste(n), hv = halve vaste(n), hst = halfstokje, st = stokje, dst = dubbel stokje, ddst = driedubbel stokje, sh = samen haken, mr = magische ring, vlg = volgende, mind = minderen, mrd = meerderen, GK = goede kant, VK = verkeerde kant, T1 toer 1, enz.